Op de boerderij zijn 50-60 ooien die in het voorjaar lammeren krijgen en deze lammeren zogen. Zij zijn altijd buiten, behalve bij hoog water en heel veel sneeuw. In de winter moeten ze worden bijgevoerd met hooi en dan zijn ze alleen s’nachts op stal.

De schapen worden al in maart geschoren,  ruim voordat de lammeren worden geboren. Het is voor de ooien draaglijker om de wol kwijt te zijn in de laatste weken van hun dracht en vervolgens de zoogperiode.

Deze schapen krijgen hun lammeren eind april en mei. Dit wordt zo laat gepland vanwege de verwachte temperatuur zodat ook de pasgeboren lammeren weer naar buiten kunnen. De meeste lammeren worden in het weiland geboren, maar ze gaan allemaal even een nacht op stal om te controleren of alles goed is gegaan (goed drinken) en om de nieuwe geboortes te registreren. En soms blijkt nazorg nodig.

In september zijn de lammeren al opgegroeid tot gemiddeld 30 kg Dan wordt het tijd dat de rammetjes van de koppel gescheiden worden want de oudste rammen kunnen dan al snel een keer vruchtbaar worden, en de geboorteplanning in de war gooien. Meestal worden de rammen dan verkocht naar een andere boer die ze weer laat doorgroeien. De ooilammeren blijven wel op de boerderij. In november zijn de eerste ooilammeren volgroeid en worden naar een slachterij gebracht. In februari blijven alleen de moederooien nog over voor de volgende cyclus.

De schapen zijn de verzorgers van het dijktalud; zij houden de grasmat kort en compact. Ook buiten het talud groeien de dieren op in natuurlandschap, zonder gebruik van mens-concurrerende voedingsstoffen

Inhoud